Au joli bois (Claudin de Sermisy)

De dichter is te ver gegaan; nu is het uit. Met zijn verdriet zoekt hij de schaduw van het bos op. Vindt hij een tuin met louter zwarte bloemen, dan zal hij daar zijn tranen vergieten en nooit, nooit meer vrolijk worden. Wil de geliefde daar nota van nemen?

Na een instrumentaal voorspel is het de sopraan die de gevoelens van de dichter vertolkt en probeert ons te overtuigen van haar ondraaglijke leed.


Au joli bois


Au joli bois, à l’ombre d’un souci
Me faut aller pour passer ma tristesse;
Rempli de deuil, d’un souvenir transi,
Manger me faut maintes poires d’angoisse.
Dans un jardin rempli de noires fleurs,
De mes deux yeux ferai larmes et pleurs.
Fi de liesse
Et hardiesse!
Regret m’oppresse
Puisque j’ai perdu mes amours.
Las! trop j’endure!
Le temps me dure,
Je vous assure:
Seules vous n’avez plus de coeurs!

Naar 't mooie bos


Naar 't mooie bos, beschaduwd door een zorg
begeef ik me ter delging van mijn droefheid.
Vervuld van rouw, verkleumd door wat geviel
zal ik nu menig angstpeer moeten slikken.
Is er een tuin die zwart van bloemen ziet:
daar ga ik heen vol tranen en geween.
Nee, nooit meer vrolijk,
nooit meer vrijpostig!
Wroeging bedrukt me
Omdat 'k mijn lief verloren heb.
Ach, wat verduur ik,
leed zonder einde,
maar ik bezweer u:
geen ander is zó harteloos!