Tant que vivrai (Claudin de Sermisy)

De gelukkige minnaar neemt zich voor dienaar van Amor te blijven zolang als hij in de bloei van zijn jeugd is. Het gaat niet altijd goed tussen hem en zijn geliefde, maar na dagen van uitstel komt toch steeds de beloning. Hij eert zijn geliefde in gedichten en laat zich niet deren door afgunstig gemor.

Dit liedje is een en al onbezorgdheid. We voeren het a cappella uit.


Tant que vivrai

Tant que vivrai en âge florissant,
Je servirai Amour, le Dieu puissant,
En faits et dits, en chansons et accords.
Par plusieurs jours m'a tenu languissant,
Mais après deuil m'a fait réjouissant,
Car j'ai l'amour de la belle au gent corps.
Son alliance,
Est ma fiance:
Son coeur est mien,
Mon coeur est sien:
Fi de tristesse,
Vive liesse,
Puisqu'en Amour a tant de bien.

Quand je la veux servir et honorer,
Quand par écrits veux son nom décorer,
Quand je la vois et visite souvent,
Les envieux n'en font que murmurer.
Mais notre Amour n'en saurait moins durer:
Autant ou plus en emporte le vent.
Maulgré envie
Toute ma vie
Je l'aimerai,
Et chanterai:
C'est la première,
C'est la dernière,
Que j'ai servie, et servirai.


Zo lang ik in de bloei ben

Zo lang ik in de bloei ben van mijn jeugd
sta ik in dienst van Amor, machtig god,
met woord en daad, met lied en snarenspel.
Een dag of wat liet hij me in de steek,
maar na de rouw bracht hij de vreugde weer,
want mij bemint de schone welgevormd.
Met haar verbonden
ben ik ontkwetsbaar:
haar hart is mijn,
mijn hart van haar:
weg met de treurnis,
leve de blijheid,
want Amor brengt ons zoveel goeds.

Als ik me aan haar eer zet en haar dienst,
als ik haar naam wil sieren in geschrift,
als ik haar zie en dikwijls haar bezoek -
al dat ontlokt afgunstigen gemor.
Maar onze liefde deert het morren niets:
voordat het bijt, verwaait het in de wind.
Ondanks de afgunst
zal 'k heel mijn leven
houden van haar,
zingen van haar:
Zij is de eerste,
zij is de laatste
die 'k heb gediend, en dienen zal!


Clément Marot (1497-1544)
(Recueil : L'Adolescence clémentine)