Da Jakob nu das Kleid ansach (Ludwig Senfl)

Jacobs lievelingszoon Jozef is door zijn jaloerse broers verkocht aan een langskomende karavaan. Zij besmeuren zijn prachtige mantel met bloed en sturen die naar huis, om hun vader te doen geloven dat zijn zoon is omgekomen. De list werkt: zodra hij het kleed ziet, wordt Jacob diep bedroefd en jammert dat zijn zoon door wilde dieren moet zijn gegrepen. "O Jozef, Jozef, mijn lieve zoon! Wat troost heb ik nog, oude man?"

De vijfstemmige muziek zucht en klaagt, en er klinkt een snijdende dissonant op het zerrissen ("verscheurd").

Da Jakob nu das Kleid ansach


Da Jakob nu das Kleid ansach,
mit großem Schmerzen er sprach:
O weh der großen Not,
mein lieber Suhn, der ist tot!
Die wilden Tier' han ihn zerrissen
und mit den Zähnen zerbissen.
O Joseph, Joseph, mein lieber Suhn!
Wer will mich alten trösten nun?
Denn ich vor Leid muß sterben
und traurig fahren von dieser Erden.

Naar Genesis 37: 31-36

Jacob, die de mantel ziet


Jacob, die de mantel ziet,
overvalt een groot verdriet.
O wee, spreekt hij, wat grote nood,
mijn lieve zoon, hij is dus dood!
Door wilde dieren opgevreten,
Met scherpe tanden uiteengereten.
O Jozef, Jozef, mijn lieve zoon!
Wat troost heb ik nog, oude man?
Van droefenis moet ik nu sterven
en treurig deze wereld derven.