Mit Lust tät ich ausreiten (Ludwig Senfl)

Een typische middeleeuwse ballade. Een jager gaat uit rijden in het bos en hoort daar drie mooie vogeltjes zingen. Of nee, bij nader inzien zijn het jonge vrouwen. De jager zet er zijn leven op dat hij één van hen zal bezitten. Zijn keus valt op de derde, omdat ze geen naam heeft. Hij pakt haar bij de hand en voert haar mee tot diep in het bos. Daar vindt hij een bedje en liggen ze wel drie uur bij elkaar.

Het verhaal wordt verteld door de sopranen en de tenor. De fluiten kwinkeleren in de rol van de vogeltjes en de bas zingt met de cello een instrumentale tegenstem.

Mit Lust tät ich ausreiten

Mit Lust tät ich ausreiten
durch einen grünen Wald.
Darin da hört' ich singen
drei Vöglein wohlgestalt.

So sein es nit drei Vögelein,
es sein drei Fräulein fein.
Soll mir das ein nit werden,
gilt es das Leben mein.

Das erst, das heißet Ursulein,
das ander Barbelein,
das dritt' hat keinen Namen,
das soll des Jägers sein.

Er nahm sie bei der Hände,
bei ihr'r schneeweißen Hand,
er führt's des Waldes ein Ende,
da er ein Bettlein fand.

Da lagen's bei einander
bis in die dritte Stund:
“Kehr' dich, schön's Lieb, herumme,
beut mir dein roten Mund!”

Te paard ging ik

Te paard ging ik vol hartstocht
dwars door ’t groene woud
waarin ik hoorde zingen
drie vogeltjes fraai gebouwd.

Maar ’t zijn niet drie vogeltjes,
het zijn drie meisjes fijn.
Wordt één niet gauw het mijne,
dan doet mij ’t leven pijn.

Katrientje heet de ene,
de tweede Marileen
en naamloos loopt de derde,
al met de jager heen.

Hij neemt haar blanke handen
en voert haar dan gezwind
tot waar de bomen wijken
en hij een bedje vindt.

Daar liggen zij tezamen,
tot in de derde stond’:
“Keer je, mijn lief, toch omme,
gun mij je rode mond!”